In de begindagen van de energietransitie was er veel aandacht voor de decentralisering en democratisering van het energiesysteem. De mogelijkheid dat particulieren en burgercollectieven zelf stroom gingen opwekken, werd gekoppeld aan een ideaal van democratisering. Een energiesysteem waarin burgers zelf energieproducent worden, zou tenslotte ook een democratischer systeem worden. Deze gedachte was doorspekt met wensdenken. Hernieuwbare energie was belangrijk, maar democratisering was zo mogelijk nog belangrijker.
De praktijk van de energietransitie liet iets anders zien. Particulieren installeerden weliswaar zonnepanelen, maar dit had alles te maken met de salderingsregeling en weinig met democratisering. Belangrijker nog: de grote slagen in de energietransitie zijn gemaakt door grote offshore windparken en zonneweides. Deze bouwen feitelijk voort op de bestaande structuur van het energiesysteem, waarin grote producenten en netbeheerders de dienst uitmaken
Sinds kort lijkt hier verandering in te komen. Het bestaande energiesysteem loopt tegen zijn grenzen en is zelf niet in staat om acute problemen snel en adequaat op te lossen. De toename van hernieuwbare energie en de opkomst van elektrische auto’s en warmtepompen, leggen een steeds grotere druk op het Nederlandse elektriciteitsnet. Terwijl er in 2022 slechts 650 bedrijven wachtten op een netaansluiting; zijn dat er inmiddels meer dan 14.000. Netcongestie is daarmee uitgegroeid tot een van de grootste belemmeringen voor economische ontwikkeling, woningbouw en maatschappelijke voorzieningen, en daarmee voor welvaart en welzijn.
Hoewel de komende jaren tientallen miljarden euro’s worden geïnvesteerd in netverzwaring, is het ook duidelijk dat de wachtrij voor nieuwe aansluitingen niet snel wordt opgelost en dat sommige partijen tot tien jaar moeten wachten voor ze toegang tot het net krijgen. Steeds meer ondernemers, ontwikkelaars én gemeenten, richten zich daarom op lokale oplossingen die sneller inzetbaar zijn en ook op de langere termijn efficiënter zijn. Daarmee verschuift de praktijk van het energiesysteem: van centraal gepland naar lokaal georganiseerd.
Netcongestie ontstaat vooral op momenten dat de vraag naar of het aanbod van elektriciteit piekt. Dat betekent dat het elektriciteitsnet op specifieke tijden en plekken niet voldoende capaciteit heeft om alle benodigde stroom aan de gebruikers te leveren, of om alle opgewekte energie te verwerken en op te slaan in het systeem.
De rest van de tijd is er voldoende capaciteit en is er helemaal geen sprake van congestie. Investering in netverzwaring betekent dat de netbeheerder de maximale capaciteit van het net opschroeft die eigenlijk maar op zeer beperkte tijdstippen nodig is. Soms is dit noodzakelijk, maar vaak is het ook verre van efficiënt. De onbenutte capaciteit van het net neemt tenslotte ook toe.
Het achterliggende probleem van netcongestie is dat er maar zeer beperkt sprake is van een ‘natuurlijke’ match tussen lokale vraag en aanbod. Particulieren gebruiken overdag zelf niet de stroom die hun zonnedak opwekt, en windenergie van zee moet per definitie een grote afstand afleggen voordat deze bij een gebruiker terecht komt.
In plaats van louter te investeren in meer en zwaardere kabels en transformatoren, is het daarom veel efficienter om op lokaal niveau wel een match tussen vraag en aanbod te creëren. Dit vraagt echter wel om flexibiliteit bij gebruikers, maar ook om opslagsystemen die ‘uitgesteld gebruik’ mogelijk maken. Juist door verschillende partijen met elkaar te laten samenwerken, wordt het mogelijk om gezamenlijk minder belasting van het net te realiseren. Huishoudens al dan niet gebundeld in energiecollectieven, kennen een ander gebruiksprofiel dan kantoren, en bedrijven verschillen onderling ook enorm van elkaar. Door hun vraagpieken op elkaar af stellen en zo hun gezamenlijke pieken af te vlakken, door zelf opgewekte energie lokaal gebruiken en op te slaan, kan dezelfde infrastructuur veel intensiever worden benut. Elke kilowatt piekvraag die wordt vermeden of verschoven, bespaart zo aanzienlijke ‘domme’ investeringen in het net. Volgens de samenwerkende netbeheerders kunnen hiermee vele miljarden aan netverzwaring worden uitgespaard.
Het project Slim Strandnet in Den Haag, een samenwerking tussen is een mooi voorbeeld van zo’n lokale match tussen aanbod en vraag. In het verleden werd de zonnestroom van een aantal strandpaviljoens simpelweg teruggeleverd aan het net. Dit gebeurde noodzakelijkerwijs op momenten waarop er heel veel zonnestroom wordt opgewekt, maar weinig wordt benut, met een lage of zelfs negatieve stroomprijs als resultaat. Nu, daarentegen, leveren de strandpaviljoens via een privaat laagspanningsnet rechtstreeks aan verschillende gebruikers in de buurt en worden eventuele overschotten opgeslagen in een batterij, zodat deze op een later moment alsnog gebruikt kan worden.
Andere projecten gebruiken bijvoorbeeld batterijen om de vraagpiek van bedrijfsprocessen of een laadplein voor elektrische vrachtwagens uit te smeren over een groter deel van de dag. Daarmee wordt de bestaande infrastructuur van het net efficiënter benut en ontstaat er ruimte voor nieuwe gebruikers. Uiteraard vraagt dit om praktische coordinatie tussen verschillende deelnemers voor wat betreft hun stroomgebruik en –opwek, en moeten er afspraken worden gemaakt worden over de governance en financiele structuur. Inmiddels zijn er meerdere partijen in Nederland die hierbij kunnen helpen en die hiervoor ook de juiste tooling beschikaar hebben.
Dit type lokale oplossingen, waarin bewoners, ondernemers en lokale overheden samenwerken, verlagen niet alleen de druk op het net, ze veranderen ook de logica van het systeem. Zeggenschap verschuift geleidelijk van centrale partijen naar lokale samenwerkingsverbanden. Energiegebruikers worden mede-eigenaar van infrastructuur en krijgen daarmee invloed op de verdeling van kosten en baten en ze ontwikkelen hun eigen spelregels voor het benutten, opslaan en terugleveren van energie. De traditionele partijen uit het gecentraliseerde energiesysteem – de netbeheerders en Rijksoverheid, proberen deze ontwikkeling te begeleiden en deels ook te stimuleren (bijvoorbeeld door projectsubsidies en nieuwe contractvormen), maar ondertussen verliezen ze ook een deel van hun controle. Hun rol verdwijnt dus niet, maar verandert van sturend naar faciliterend.
Zo zien we dat na ruim drie decennia van energietransitie er toch nog sprake is van decentralisering en democratisering. Waar dit voorheen vooral een ideologisch toekomstbeeld was, zien we nu dat dit vanzelfsprekende en pragmatische ontwikkeling is. Het grote verschil is dat in de beginjaren van de transitie, decentralisatie gelijk stond aan inefficiëntie en frictie, maar dat dit nu volstrekt anders is door de toevoeging van intelligente systemen. Sensoren, netwerktechnologie en energiemanagementsystemen maken het mogelijk om duizenden decentrale bronnen en gebruikers real time op elkaar te af te stemmen en productie en gebruik te coördineren. Hierdoor wordt decentralisering juist efficiënt en kunnen lokale afspraken (democratisering!) eenvoudig vertaald worden naar algoritmes.
De decentralisatie van het energiesysteem is een ontwikkeltraject. Het vraagt om nieuwe vormen van samenwerking tussen betrokkenen en de inzet van innovatieve technologie, contractvormen en bedrijfsmodellen. Voor ondernemers, energiecollectieven, instellingen en lokale overheden biedt het een unieke kans om samen een oplossing te vinden voor de collectieve uitdaging van netcongestie. Dan bouwen ze samen aan een energiesysteem dat slimmer, flexibeler én toekomstbestendig is.
